De Wilmsboo

De Wilmsboo werd al genoemd in het “schatregister” van 1654 en gesitueerd op de zelfde locatie, er werden 27 booen van 34 eigenaren geteld rondom het “Schoonerbekerdiep aan weerszijden van de grens met Duitsland.
De ‘boo’ was een primitieve veeschuur, die voorkwam in de lage, drassige weide gebieden rond Schoonebeek.
Hoewel het gebouw ook woonruimte bevatte voor de koeherder, was het geen volledige boerderij maar een soort ‘dochteronderneming’ voor het weidebedrijf, behorend bij een elders op drogere grond gelegen grotere boerderij.
In de afgelegen boo verbleef een kudde rundvee een groot deel van het jaar onder de hoede van een herder. Het vee werd hier geweid en vetgemest, om alleen in de winter voor korte tijd terug te keren naar de boerderij.
Ook in indeling en bouw week de boo nogal af van de ‘gewone’ Drentse boerderij: de boo was éénbeukig en het vee stond er in twee rijen opgesteld, met de koppen naar de zijgevels.
Door dat een betere waterbeheersing ook de drassigste gronden voor ontginning geschikt konden worden gemaakt, was de noodzaak voor dit soort seizoens-onderkomen sterk verminderd. Veel boo’s werden dan ook rond de eeuwwisseling veranderd in permanente boerderijen of gesloopt.
In de boo staan de koeien opgesteld met de koppen naar buiten, een open pad tussen beide rijen. De scheiding bestaat uit primitieve schotten, maar de afzonderlijke standplaatsen zijn goed gescheiden.
Aan het einde van de stal bevindt zich een mestdeur, d.w.z. een deur waardoor de mest naar buiten wordt gebracht. De toegangsdeur van de boe zit ter zijde en wel dicht bij het woongedeelte.
De boo wordt alleen bewoond door vee, met slechts één man als verzorger, nl. de ‘booheer’ (= booherder). Deze man is zoon, knecht of arbeider van de boer wie het vee toebehoort, en die op enige afstand woont.
Winter en zomer wordt het vee overdag naar heide of weide gedreven, om daar te grazen. Veehouderij in zeer primitieve vorm dus. Melkvee staat er niet in de boe, alleen jong of niet drachtig vee. Ook op het veldwerk van de opmeting noteerde hij allerlei bijzonderheden over indeling en gebruik van de boo.
De wanden van het stalgedeelte, die aan de buitenzijde geheel van riet leken te zijn, aan de lange zijden een binnenbekleding van planken hadden, zodat het vee, dat met de koppen hier naartoe gekeerd stond, deze niet kon beschadigen.
De eiken gebintstijlen stonden op houten klossen in plaats van op steen
Op de balken lagen slieten, waarop een deel van het hooi werd bewaard (het kwam daarop door een boven de mestdeur in de achtergevel aanwezig hooiluik). Het meeste en beste hooi werd echter ondergebracht in de vrijstaande hooischuur, die vrijwel dezelfde constructie had als de boo zelf.
De aan de stal verbonden woonruimte voor de ‘booheer’ was het enige gedeelte van het gebouw dat stenen wanden had. De indeling bestond uit een middenkamer met stookplaats (oorspronkelijk waarschijnlijk zonder schoorsteen), een bedstede en een zijkamertje. Het geheel werd verlicht door minieme raampjes. Een afzonderlijke woonhuisdeur was er niet: mens en vee maakten gebruik van dezelfde toegangsdeur in de zijgevel.
Veel Booen werden rond 1900 omgebouwd tot permanente boerderijen of gesloopt, in 1920 waren er nog maar enkele over.
De Wilmsboo was in 1975 de nog enige overgebleven originele boo en kwam in handen van Stichting “De Spiker”, die probeerde dit unieke monument voor de toekomst te bewaren.

Helaas, op 16 oktober 2004 werd de Wilmsboo door brand verwoest.
In april 2007 is begonnen met de herbouw van de Wilmsboo en op 4 juni 2008 is de herbouwde Wilmsboo door H.K.H. prinses Margriet geopend.(zie foto’s en filmpje). Het pand is eigendom van de Stichting Het Drentse Landschap.

Prinses Margriet opent Wilms’ Boo